Informatie over het woord fari

Woordsoortwerkwoord
Afbrekingfar·i

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdfaras
Verleden tijdfaris
Toekomende tijdfaros
 
Voorwaardelijke wijs
farus
 
Gebiedende wijs
faru

Actieve deelwoorden
Tegenwoordige tijdfaranta
Verleden tijdfarinta
Toekomende tijdfaronta

Voorbeelden van gebruik

Faru tion.
Kion mi faru por helpi vin?
Mi tion farus denove.
Li faris proponon al mi.
Kial vi faras la nunan vojaĝon?
Kaj neniu povas fari ion.
Tiam li faris neatenditan demandon.

Vertalingen

Afrikaansverrig; pleeg; uitvoer; maak; begaan; doen
Duitsmachen; tun
Engelsdo; carry out; commit; perform; wage; conduct
Fransfaire
Jamaicaans Creoolsdu; mek
Nederduitsdoon; maken; uutvoren
Nederlandsbedrijven; begaan; maken; doen; uithalen; plegen; uitrichten; verrichten; uitvoeren
Papiamentshasi
Schotsdae
Westerlauwers Friesmeitsje; dwaan