Informatie over het woord trudi

Woordsoortwerkwoord
Afbrekingtrud·i

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdtrudas
Verleden tijdtrudis
Toekomende tijdtrudos
 
Voorwaardelijke wijs
trudus
 
Gebiedende wijs
trudu

 Deelwoorden
 Actieve deelwoordenPassieve deelwoorden
Tegenwoordige tijdtrudantatrudata
Verleden tijdtrudintatrudita
Toekomende tijdtrudontatrudota

Vertalingen

Catalaansimposar
Duitsaufdrängen; aufnötigen; dringen; aufdringen
Engelsassert; coerce; force; thrust; impose
Faeröersnoyða
Finstyrkyttää
Franscontraindre; imposer; obliger
Nederlandsopdringen
Portugeesditar; forçar; impor; obrigar
Roemeensforța; impune
Saterfriesaptringe; tringe
Spaansconstreñir; imponer; obligar