Dutch–English dictionary

English translation of the Dutch word kopen

Dutch → English
  
DutchEnglish (translated indirectly)Esperanto
(afnemen; aankopen; inkopen; aanschaffen; overnemen; zich aanschaffen);
🔗 Ik wil hier een huis kopen.
🔗 De politicus heeft in de aanloop van de verkiezingen van januari stemmen gekocht.
(afnemen; kopen; aankopen; inkopen; aanschaffen; overnemen; betrekken; zich aanschaffen); ;
take over
🔗 Hij stapte een pijpenwinkel binnen en kocht zich een rechte pijp met een zak tabak.
; ;
🔗 Al in 1916 onderkende Natuurmonumenten het belang van het eiland voor de vogels en kocht het aan.
(afnemen; kopen; inkopen; aanschaffen; overnemen; zich aanschaffen);
(loskopen; vrijkopen)
(betalen; uitbetalen)
🔗 Woudiver had zijn streek met zijn leven bekocht.
(afnemen; kopen; aankopen; aanschaffen; overnemen; zich aanschaffen);
🔗 Door sneller over te gaan op duurzame energie van eigen bodem hoeft het blok minder olie en gas in te kopen uit onvoorspelbare landen zoals de VS en Rusland, zeggen beide experts.
(aankoop; inkoop)
(aanschaf; inkoop; overname; aanschaffing);
(handelaar)
🔗 Puc bracht de tijd na het eten door met het praten met de zoon van een koopman.
purchase money
🔗 Hij gebruikte deze prijzen om de koopsom van de boerderij te drukken.
(afkopen; vrijkopen)
;
🔗 Heb je de spelers omgekocht, Supie?
(accapareren; beslag leggen op; zich meester maken van; zich toeëigenen);
corner the market
;
monopolize
(ómzetten)
retail
(ómzetten)
transact money
spezi
(overdoen)
🔗 Hij heeft nog nooit één schilderij verkocht!
🔗 Verkoopt u ook ijs?
(afkopen; loskopen)
🔗 Hij zou zijn geld moeten besteden aan het vrijkopen van krijgsgevangen in plaats van aan hoeren en snoeren!

DutchEnglish
kopen acquire; buy; purchase
op afbetaling kopen buy on the instalment plan; buy on the instalment system; buy on the hire‐purchase system; buy on the never‐never
op rekening kopen buy on credit
wat koop je ervoor? what good does it do you?; what’s the good of it?
aankopen acquire; buy; purchase
afkopen buy off; compound; ransom; redeem; buy from; purchase from
bekopen pay dearly for
inkopen buy; purchase; buy in
koop bargain; buy; deal; emption; purchase
koopavond late‐night shopping; late shopping night
koophandel trade; traffic; commerce
koopkracht bargaining power; purchasing‐power; spending‐power; buying power
kooplust inclination to buy; desire to buy; buying propensity
koopman dealer; merchant; merchantman; trader; hawker
koopprijs purchase price; cost price
koopsom purchase money
koopstad commercial town
koopvaarder merchantman
koopvrouw tradeswoman
koopwaar commodity; merchandise; commodities; wares
koopwoede spending mania
koopwoning owner‐occupied dwelling
koopziek eager to buy
koopzucht eagerness to buy
loskopen buy off; ransom; redeem
omkopen bribe; buy; buy over; corrupt; fix; grease; nobble; suborn; square; sweeten; grease the palm of; oil the palm of
opkopen buy up
terugkopen buy in; redeem; repurchase; buy back
uitkopen buy out; purchase out; buy off
verkopen dispose of; merchandise; sell; vend; sell off; sell out
vrijkopen ransom; redeem; buy off