Engels–Nederlands woordenboek

Nederlandse vertaling van het Engelse woord grow

Engels → Nederlands
  
EngelsNederlands (indirect vertaald)Esperanto
(augment; increase; rise); ;
(arise; become; get)
🔗 Her eyes grew heavy.
(increase; raise)
laten groeien
(cultivate; force; raise)
🔗 They discovered a quantity of cannabis plants being grown in a tent inside the flat.
in kassen kweken
(aggrandize; augment; enlarge; increase; get bigger; get larger; grow larger; make larger); ;
(cultivate; farm; work)
🔗 It is, however, possible to grow potatoes from true potato seed.
; ;
🔗 It is relatively rare and in Britain is now usually confined to pockets of ancient woodland, although it can also be found growing in hedgerows.
(wax); ; ;
🔗 Stefan Wolff, professor of international security at the University of Birmingham, told Al Jazeera that Ukrainian attacks inside Russian‐controlled territory demonstrate Kyiv’s growing military capabilities and the frustrating of Moscow’s war efforts.
;
grow light
verlicht worden
lumiĝi
grow pale
(blanch; fade; pale; turn pale)
paliĝi
(farmer)
🔗 Growers in the Netherlands, one of Britain’s key salad suppliers, face similar challenges and have reduced exports.
;
(accrescent)
gegroeid hebbend
(adult; full‐grown); ;
(accruals; accruement); ;
(flora; vegetation)
;
EngelsNederlands
growaanbouwen; aangroeien; aankweken; aanwassen; bouwen; groeien; groot worden; kweken; laten groeien; ontstaan; telen; toenemen; uitgroeien; verbouwen; vermeerderen; voortbrengen; wassen; worden
grow a beardzijn baard laten staan
grow accustomed togewoon raken aan
grow away fromvervreemden van
grow darkverduisteren
grow iningroeien
grow intogroeien in; uitgroeien tot
grow into oneaaneengroeien; samengroeien
grow into somethingergens in groeien
grow leanvermageren
grow out ofgroeien uit; ontgroeien; ontgroeien aan; ontstaan uit; ontwassen; voortspruiten uit
grow out of shapevergroeien
grow overoverwoekeren
grow paleverbleken
grow thinvermageren
grow togetheraaneengroeien; samengroeien; vastgroeien; vergroeien
grow upgroot worden; ontstaan; opgroeien; volwassen worden
grow uponvat krijgen op; zich opdringen aan
grow wildin het wild groeien
growerkweker; teler; verbouwer
growingaanbouw; aankweking; bouw; cultuur; groeiend; groeizaam; groei‐; kweken; teelt; teling; verbouw; verbouwing
grownbegroeid; groot; volgroeid; volwassen
growthaangroei; aanwas; gewas; gezwel; groei; product; toeneming; uitwas; vermeerdering; was; wasdom